Tijdens de operatie

Het is uiteraard de bedoeling van elke operatie om de patiënt te genezen of beter te maken. Maar een operatie is ook een ontwrichtende handeling en ervaring. Het lichaam krijgt tijdens een operatie heel wat verstorende signalen te verwerken. Daarop reageert het lichaam onmiddellijk, net zoals bij ziekte of een ongeval.

Vanuit de operatieplaats worden er verschillende verstorende signalen naar de rest van het lichaam gestuurd. Het lichaam reageert daarop met een zogenaamde “stressreactie”.

Enerzijds is er een signaal doorheen de zenuwen naar de hersenen dat duidelijk maakt dat er ergens schade is veroorzaakt: dat signaal is de pijn die je voelt. Pijn voelen kan mentaal en lichamelijk belastend (invloed op hart, longen, …) zijn. Het is niet de bedoeling dat de pijn ten gevolge van een operatie de patiënt nog meer belast. Daarom zal de anesthesist zorgen voor een zo volledig mogelijke pijnverdoving.

Anderzijds vertrekken er vanuit het geopereerde gebied nog tal van andere signalen rechtstreeks via de zenuwen naar allerlei andere organen en zetten die onder hoogspanning: de pols gaat sneller, de bloeddruk stijgt. Ter hoogte van het geopereerde gebied worden daarenboven nog tal van chemische stoffen gevormd die door het bloed worden opgenomen en zich doorheen heel het lichaam verspreiden. Ook dit mechanisme verstoort de werking van veel organen en regelsystemen. Het gevolg van die verstorende factoren is dat de patiënt pijn heeft en zich zwak en vermoeid voelt na de operatie. Het is de taak van de anesthesist om de patiënt hier met een aangepaste narcose overheen te helpen.

Tijdens een operatie moet de chirurg vaak ingrijpende handelingen uitvoeren om zijn doel te bereiken: bloedvaten afklemmen, organen uit de weg duwen, delen van organen verwijderen, een long of zelfs het hart even stilleggen. Het is zonder meer duidelijk dat dat een belangrijke weerslag kan hebben op het functioneren van het lichaam als geheel. Tijdens die kritische momenten zorgt de anesthesist ervoor dat de bloedsomloop toereikend blijft, dat de longen voldoende zuurstof kunnen blijven opnemen, dat lever en nieren goed blijven werken, dat het bloed voldoende stolt enz.

 

Daardoor wordt het voor de chirurg ook mogelijk om ingrepen te doen die normalerwijze onmogelijk zouden zijn, omdat ze het leven van de patiënt in gevaar zouden brengen. Tijdens de operatie is de patiënt dus volledig afhankelijk van de anesthesist en dat niet alleen voor de narcose in strikte zin, maar ook voor het behoud van alle lichaamsfuncties.

Nà de operatie

De anesthesist heeft nu de taak om de patiënt over te schakelen van een situatie die hij als arts volledig onder controle had tijdens de operatie, naar een situatie waar het lichaam van de patiënt opnieuw meer en meer zelfstandig moet gaan functioneren. De toediening van anesthesieproducten wordt gestopt en andere medicatie wordt opgestart. Het duurt echter nog een tijdje voordat de medicamenten die tijdens de narcose werden gebruikt volledig zijn uitgewerkt, met mogelijk een verminderd bewustzijn en verminderde ademhaling tot gevolg de eerste uren na de operatie.  Bovendien betekent het einde van de operatie niet dat het lichaam al volledig genezen is: er is gewerkt aan organen (bv. de longen) en structuren (bv. de buikwand) zodat ademen moeilijker kan zijn, er zijn bloedvaten doorgesneden wat een risico op nabloeden tot gevolg heeft. Het lichaam zal meerdere dagen nodig hebben om zich te herstellen en een nieuwe stabiliteit te verwerven.

Vandaar dat de patiënt na de operatie naar de ontwaakzaal wordt gebracht waar hij onder bewaking en in behandeling blijft tot zijn toestand gestabiliseerd is en het lichaam opnieuw voldoende functioneert.

De algemene anesthesie

​​

Bij een algemene anesthesie wordt het bewustzijn tijdelijk uitgeschakeld. Bij het begin van een algemene narcose zal de anesthesist meestal via een infuus (buisje in een ader) medicatie inspuiten.  Kinderen worden meestal in slaap gebracht dmv anesthesiegassen via een masker dat voor het gezicht wordt gehouden.

In slaap doen betekent echter niet pijnvrij maken. Daarvoor zijn pijnstillers nodig die de hersenen onverschillig maken voor pijn. Hiervoor worden medicamenten gebruikt die verwant zijn aan morfine. Vaak wordt ook medicatie toegediend om de spieren te verslappen. Door het verslappen van de spieren zal de chirurg de operatie gemakkelijker kunnen uitvoeren.

 

Al deze medicamenten zullen echter ook tot gevolg hebben dat de patiënt meestal niet meer voldoende kan ademen. Daarom zal de anesthesist zodra de patiënt volledig bewusteloos is, een buisje in de luchtpijp van de patiënt steken. Dat buisje wordt verbonden met een beademingstoestel dat ervoor zorgt dat de patiënt tijdens de operatie toch voldoende zuurstof en eventueel ook anesthesiegassen krijgt toegediend.

Tijdens de operatie zal de anesthesist voortdurend de diepte van de narcose, de werking van hart, longen, nieren en hersenen in het oog houden, evalueren en bijsturen daar waar nodig.

Een algemene anesthesie bestaat dus uit een combinatie van drie medicamenten: “slaap”medicatie, krachtige pijnstillers en spierverslappers. Daarbij komen dan nog de specifieke maatregelen en medicamenten om het lichaam en de werking van alle organen stabiel te houden.

Tegen het einde van de operatie zal de anesthesist de medicatie die de patiënt bewusteloos maakt en de medicatie voor spierontspanning geleidelijk aan stoppen, zodat de patiënt langzaam terug wakker wordt. Als de patiënt zelf opnieuw voldoende kan ademen, wordt het beademingsbuisje uit de luchtpijp verwijderd.

​​​

De regionale anesthesietechnieken

​​

Bij een regionale anesthesie wordt slechts een bepaald deel van het lichaam verdoofd. Regionale anesthesie wordt ook wel verkeerdelijk lokale anesthesie genoemd. Een lokale anesthesie is eigenlijk het pijnvrij maken van een klein gebied van het lichaam door een verdovingsmiddel ter plaatse onder de huid in te spuiten.

Bij regionale anesthesie wordt het lokaal anestheticum ingespoten rond een grote zenuw die vanuit het ruggenmerg naar het te opereren gebied loopt. Op die manier wordt een ganse streek (regio) verdoofd. Die werkwijze maakt het mogelijk dat de patiënt wakker blijft tijdens de ingreep maar zorgt er toch voor dat de pijnprikkels vanuit het geopereerde gebied de hersenen niet kunnen bereiken en de patiënt de pijn dus ook niet kan voelen.

Een regionale anesthesie kan uiteraard alleen voor die gebieden waarin de zenuwen gemakkelijk te vinden en te blokkeren zijn (bv. een arm, been of het onderste deel van het lichaam).

Technisch gezien kunnen de regionale technieken op verschillende wijzen gerealiseerd worden:

Spinale verdoving

Dit is de zogenaamde ruggenprik waarbij de onderste lichaamshelft wordt verdoofd. Met een fijne naald zal de anesthesist ter hoogte van de lenden tussen de ruggenwervels prikken en een verdovingsmiddel inspuiten in het vocht dat zich rond het ruggenmerg bevindt. De prik gaat doorheen het omhulsel rond het ruggenmerg.  Behalve een verdoving veroorzaakt deze inspuiting ook een verlamming van de benen die blijft duren zolang de verdoving werkt. Het is een snelle, eenvoudige techniek voor korte ingrepen onder de navel.

Epidurale verdoving

Deze gebeurt ook via de ruggenprik maar het verdovingsmiddel wordt net buiten het omhulsel van het ruggenmerg ingespoten. Hierdoor duurt het wat langer (ongeveer 15 minuten) voor de verdoving optimaal werkt. Het grote voordeel van een epidurale verdoving is dat op hetzelfde moment een katheter (dit is een zeer dun buisje) in de ruimte rond het ruggenmerg kan worden ingebracht. Via deze katheter kan men de patiënt pijnverdoving toedienen tot zelfs een paar dagen na de operatie.

Regionale anesthesie

Hiermee wordt een lidmaat of een deel ervan pijnvrij gemaakt door een verdovingsmiddel in te spuiten rond de zenuwen die naar het te opereren lidmaat lopen.

Om het verdovingsmiddel zo dicht mogelijk rond de zenuw te kunnen inspuiten, brengt de anesthesist deze in beeld dmv echografie. Tegelijk worden er zeer kleine elektrische stroomstootjes doorheen de naald gevoerd. Als de naaldpunt vlak bij de zenuw komt zal de patiënt deze stroomstootjes voelen of kleine spierschokjes gewaarworden. 

 

... betekent letterlijk 'ongevoelig voor pijn'

Maar anesthesie is veel meer dan enkel pijncontrole en kunstmatige slaap. Als we woorden moeten kiezen om te beschrijven wat een anesthesist nu werkelijk doet, dan zijn dat zonder twijfel de woorden “bescherming“ en “stabilisatie“ van de levensbelangrijke functies van het lichaam.

... onder verschillende vormen

In de praktijk bestaan er verschillende vormen van anesthesie. Er is de algemene narcose waarbij de patiënt volledig “in slaap” wordt gebracht en er zijn de regionale anesthesietechnieken waarbij maar een bepaald deel van het lichaam wordt “verdoofd”

... Welke vorm ?

De keuze voor een regionale dan wel een algemene anesthesie is afhankelijk van verschillende factoren.

Soms is een algemene anesthesie absoluut noodzakelijk. Dat kan verschillende redenen hebben: omdat de operatie lang duurt of omdat de patiënt in een oncomfortabele houding op de operatietafel moet geïnstalleerd worden. Een belangrijke reden is ook dat tijdens de operatie zodanig ingrijpende handelingen moeten worden uitgevoerd dat de volledige controle over het lichaam tijdens een algemene anesthesie garant staat voor een veilig verloop van de operatie.

 

De keuze wordt ook meebepaald door de voorkeur van de anesthesist en de chirurg.

Anesthesie ...
Anesthesie ...

Dienst Anesthesie

GZA Ziekenhuizen Campus Sint - Augustinus
 
 
Oosterveldlaan 24
2610 Wilrijk
Tel +32 3 443 36 13
Fax +32 3 443 30 29
  • Twitter Social Icon
  • RSS Social Icon
  • Facebook Social Icon
  • YouTube Social  Icon